EuroHistorie (1996-2006) - De 21ste eeuw staat voor de deur
In dit artikel:
Het Eurovisiesongfestival doorliep aan het eind van de jaren ’90 en in de jaren 2000 een ingrijpende moderniseringsslag om te kunnen omgaan met meer deelnemers en veranderende kijkersgewoonten. De kernregels — één inzending per land en één winnaar, met een finale van zo’n 23–25 landen — bleven bestaan, maar de manier waarop er gezongen en gestemd werd veranderde wezenlijk.
Belangrijke regelwijzigingen waren het afschaffen van het verplichte live-orkest en het opgeven van de taalrestricties. Vanaf 1997 mochten instrumenten vooraf opgenomen zijn; vanaf 1999 was een orkest optioneel en mocht er in elke gewenste taal worden gezongen. Dat opende creatieve ruimte (denk aan meertalige inzendingen zoals Duitsland) en zelfs experimenten met niet-bestaande talen (Urban Trad, België, 2003).
Een andere grote innovatie was de introductie van televoting in 1997: het publiek kon voor het eerst grootschalig via de telefoon stemmen. Binnen een paar jaar werd deze publieksstem de norm; eind jaren ’90 werd deelname met televoting aangemoedigd en enkele jaren later werd het in de meeste landen standaard, met jury’s alleen als uitzondering.
De organisatie worstelde met de sterke groei van deelnemende landen na de val van de Koude Oorlog. Na tijdelijke degradatieregels en een kwalificatieronde in 1996 (waar jury’s op audioclips bepaalden wie door mocht), werd uiteindelijk het halvefinalesysteem ingevoerd — eerst één halve finale (2004–2007), later twee — om de grote instroom te reguleren.
België kende in deze periode wisselend succes: extreme teleurstellingen (Nathalie Sorce, 2000) maar ook een onverwachte runner-up met Urban Trad in 2003, en daarna opnieuw moeite met het overleven van de halve finales (Xandee 2004, Kate Ryan 2006).
Ten slotte ontstond rond 1999 een financieel-politieke uitzondering: de zogenaamde Big Four (Duitsland, Frankrijk, het VK, Spanje; later Italy erbij als Big Five) kregen een vaste finaleplaats vanwege hun grote EBU-bijdragen — geen zekerheid voor goede resultaten, zoals het Britse nul punten in 2003 aantoonde.
Kortom: het decennium stond in het teken van technisch en organisatorisch aanpassen — orkest en taal maakten plaats voor opnames en vrije talen, publiek nam het stemmen over en nieuwe kwalificatieregels moesten de groeiende Europese belangstelling beteugelen.