Waarom Centraal- en Oost-Europa het Songfestival opnieuw omarmen
In dit artikel:
Twee weken na het 70e Eurovisiesongfestival in Wenen wordt de wedstrijd steeds duidelijker omarmd door Centraal- en Oost-Europese omroepen, terwijl enkele West-Europese landen afstand nemen. Noord-Macedonië, Hongarije en Slovakije meldden al interesse om volgend jaar terug te keren naar de editie die in Bulgarije gehouden wordt; tegelijk blijft deelname uit Ierland, IJsland, Spanje en mogelijk ook België onzeker nadat deze landen dit jaar (deels) afwezig waren uit protest tegen de Israëlische deelname.
Historisch gezien begon het festival als een West-Europees gebeuren — de eerste editie (1956) kende uitsluitend westelijke debutanten — maar is het sinds de jaren 1990 sterk uitgebreid met voormalige Joegoslavische en Sovjetstaten, die hun eigen stempel op de wedstrijd drukten. Belangrijke technische en procedurele veranderingen versterkten deze ontwikkeling: de invoering van televoting in 1997 bevorderde bloc- en diasporastemmen, wat landen uit Oost en Zuid profijt opleverde; de herintroductie van vakjury’s in 2009 bracht daarna weer kansen voor West-Europese winnaars.
Dit jaar keerde een aantal Centraal- en Oost-Europese landen na afwezigheid terug — Moldavië, Bulgarije en Roemenië presteerden sterk en eindigden allemaal in de top tien, met Bulgarije als winnaar — wat de indruk versterkt dat het zwaartepunt van het festival naar het oosten verschuift. Financiële motieven spelen daarbij een grote rol: er zijn aanwijzingen dat de EBU terugkerende omroepen korting op inschrijvingskosten gaf, en de gastlocatie Bulgarije (Sofia) is qua vervoer en verblijf veel goedkoper dan recente dure gastheren zoals Zwitserland of Zweden. Ook commerciële initiatieven — verkoop van het format, merchandising en een nieuw Aziatisch Songfestival dat op 14 november in Bangkok start — worden ingezet om kosten voor deelnemers te drukken.
Politiek blijft echter de olifant in de kamer. De discussie rond Israël veroorzaakte boycotbeslissingen vooral in West-Europa, terwijl steun voor Israël gemiddeld groter is in delen van Oost-Europa, waardoor daar de roep om boycot veel minder op de voorgrond staat. Dat maakt terugkeer voor Oost-Europese omroepen zowel politiek als financieel aantrekkelijk en creëert een momentum nu het festival een van zijn meest oostelijke edities tegemoet gaat.
De toekomstige vraag is of Westerse omroepen reageren met hervonden interesse of verdere terugtrekking, en hoe het festival in de komende jaren zijn aantrekkingskracht in West-Europa zal behouden nu participatie en invloed meer naar Centraal- en Oost-Europa lijken te verschuiven.